Sneeuwwit

Gepubliceerd op 24 december 2021 om 20:36

Kerstmis 1981 – een witte wereld. Iedereen is binnen waar het warm is. Beslagen ruiten waarachter lichtjes branden, zo lijkt de kleine woonboerderij wel een lantaarn in de nacht. Het is avond en de tuin oogt onherkenbaar. Een sneeuwtapijt van wel vijftien centimeter bedekt alles en maakt het donker wat lichter. Het sneeuwt onophoudelijk en dikke vlokken dwarrelen naar beneden. Midden in de sneeuwdeken glinsteren lichtjes. De blauwspar is opgetuigd en onder de sneeuw gloeien de lampjes zacht.

 

Om de boom loopt een meisje van een jaar of zeven repeterende rondjes door de krakende sneeuw. Ze draagt winterlaarzen en een wollen jas. Een gebreide muts zakt diep over haar gezicht. Haar handschoenen is ze vergeten in haar haast. Haar vingers rood van de kou glijden over de besneeuwde kerstboom en tranen stromen over haar wangen en haar kin. Het is zo stil dat ze enkel haar krakende voetstappen hoort. De vlokken dwarrelen geruisloos om haar heen en alles is wit in de gedempte stilte. Zelfs haar adem past zich aan.

 

Wanneer ze beter luistert hoort ze de sneeuw knisperen en ritselen. Zo nu en dan ontsnapt er een snik uit haar trillende keel. Gedempt gelach drijft naar haar toe door de lucht. Ze ruikt de rook van de houtkachel; rookworst en mossig hout. Ze glimlacht door haar tranen heen. Remy houdt van de winter, van kerstmis en sneeuw. Het zou de perfecte kerst kunnen zijn, bijna volmaakt. Hier buiten is het prachtig, stil en vredig. Binnen in haar woedt een boze storm. Niemand mist haar. Niemand zoekt of kijkt. Haar lach bevriest.

 

Moeder houdt van een besneeuwde tuin zonder sporen. Onaangeraakt en vers. Het meisje besluit dat ze daar niet langer een boodschap aan heeft. Rond de spar is het spoor zo platgetreden dat het gras zichtbaar is. Remy stapt in de richting van het huis en haar laarzen kraken een nieuw spoor. Met elke stap dringen nieuwe geluiden de stille wereld binnen. Ze loopt naar de grote ramen, wetend dat de tuin van binnenuit een zwart gat lijkt. Enkel de gedempte lichtjes in de spar zijn zichtbaar. De spar is nu uit beeld en Remy kan onzichtbaar naar binnen gluren.

 

Haar moeder gooit een paar dobbelstenen over de tafel. Ze lacht en schudt met haar rode krullende haren heen en weer. Moeder is gek op spelletjes zolang ze zich kan herinneren. Haar vader ziet ze op zijn rug. Hij houdt een bierglas in zijn hand en hangt wat onderuit. Remy weet dat hij moe is en dat hij enkel meespeelt uit fatsoen. Als ochtendmens heeft hij er al een hele dag opzitten. Haar broers lopen te klieren, dat is overduidelijk. Hans verstopt iets achter zijn rug. Hij is haar favoriete broertje en meestal doet hij met haar mee. Al schelen ze twee jaar, ze begrijpen elkaar zonder woorden. Hij heeft ook een hekel aan spelletjes, maar vandaag doet hij braaf mee. Haar oudste broer Simon is al dertien en proeft stiekem van de rode wijn. Moeder merkt niets, ze is druk bezig met winnen.

 

Remy bekijkt haar familie van een afstandje. Ze lachen, plagen en zijn daar druk mee. Ze voelt zich een buitenstaander, alsof ze uit een andere wereld komt. Haar lege stoel is keurig onder de tafel geschoven. ‘Als ik erop zat hadden ze me niet eens gezien…’ concludeert ze. Woede en onmacht schieten door haar heen. Ze voelt zich letterlijk buitengesloten. Waarom houdt haar familie van andere dingen? Waarom begrijpen ze haar niet? Waarom?

 

Het moet op haar zesde zijn geweest, de dag dat ze haar eigen haar besloot af te knippen. Tegelijk met haar lange haren verdween haar uitgesproken mening. Ze had die nog wel, maar ze hield deze voortaan binnen. Het bleek zinloos om haar mening te geven. Het had Remy tot dan toe ongelofelijk veel moeite gekost om te zeggen wat zij voelde. Ze kon dagen tobben en buikpijn hebben alvorens iets te delen. Wanneer ze zich dan bij elkaar raapte om haar moeder voorzichtig aan te spreken, bleek de reactie altijd dezelfde: negatief en ontkennend.

 

De antwoorden varieerden van: “Doe niet zo ongezellig!” of “Flauw hoor!” Dan schudde haar moeder haar hoofd en lachte er vrolijk bij: “Het valt allemaal wel mee hoor, je maakt er een probleem van…” Of ze mopperde: “Waarom doe je nu altijd zo moeilijk. Dit is leuk. Iedereen vindt dit leuk!” Remy kon wel onder de grond kruipen met haar rooie kop, ze schaamde zich dood. Hoewel ze alleen maar woorden gaf aan haar gevoel, begon ze enorm te twijfelen aan de waarheid. Misschien lag het allemaal wel aan haarzelf, moest ze wat meer haar best doen. Zij had nu eenmaal niet het opgewekte karakter van haar ouders en broers. Ze vroeg zich af of ze wel echte familie waren. Maar moeder had gezegd dat oma en overgrootmoeder ook kuren hadden, dan kon het wel kloppen met haar. Als ze maar genoeg haar best zou doen, zou het vast leuk worden…

 

Remy begint het echt koud te krijgen. Ze hoopt dat iemand eens naar haar gaat zoeken. Het sprookje van het meisje met de zwavelstokjes gaat door haar hoofd, ze houdt van het verhaal van Hans Andersen. Het is zielig en treurig, maar tegelijkertijd kerstachtig en vredig. Zou zij wel gemist worden wanneer ze buiten in de sneeuw bevriest? Remy stelt zich haar eigen begrafenis voor met heel veel huilende familie. Allemaal hebben ze spijt dat ze nooit naar haar hebben geluisterd. Haar vader houdt een toespraak. Terwijl ze mooie treurige woorden verzint, wordt ze plotseling gestoord.

 

De buitendeur zwaait krakend over de sneeuw. “Remy! Ben je daar?” klinkt haar vaders stem. Snel stapt ze achteruit de nacht in en houdt zich muisstil. “Reem?” klinkt het nog eenmaal en dan ploft de deur dicht. Niet haar moeder komt haar zoeken, maar haar vader moet het opknappen. Een halve poging, meer kan ze het niet noemen. Ze doen helemaal niet hun best voor haar. Langzaam sluipt ze dichter naar het huis en spitst haar oren. Haar ouders praten met elkaar. Haar vader gebaart druk, maar moeder blijft rustig op haar stoel zitten. Zorgeloos nipt ze aan haar wijn. “Die komt wel weer. Die loopt niet in zeven sloten tegelijk.” Vader schudt zijn hoofd, verlaat de kamer en roept een derde keer haar naam. Remy schaamt zich, maar ze kan geen antwoord geven. Ze krijgt geen geluid uit haar keel. Ondertussen zitten haar broers voor de televisie. Remy slaat ze stilletjes gade door het zijraampje. Het is haar lievelingsfilm en ze begint opnieuw te huilen. Het is niet dat ze buiten wil blijven, maar haar koude lijf weigert. Ze staat als bevroren, zowel in houding als in gevoel. Zo alleen en zo onzichtbaar.

 

Haar moeder loopt heen en weer door de kamers, is zoals altijd bezig. Geen tijd om film te kijken, geen interesse om samen te zitten. Wat haar moeder precies doet weet Remy niet, maar rusteloos is ze altijd geweest. Behalve met spelletjes doen, dan heeft ze opeens zitvlees. Een belangrijke eigenschap die haar broers ontberen. Remy kan wel stilzitten en het liefst met een boek. Dat valt niet op, van haar heeft niemand last. Als ze haar maar gewoon haar gang lieten gaan... Maar nee, moeders wil is wet. Als die een plan heeft, dan wordt iedereen geacht mee te werken.

 

Gek eigenlijk dat haar moeder dol is op gezelligheid en haar gezin om haar heen. Er is namelijk geen sprake van samen, iedereen doet iets voor zichzelf. Al kijken beide broers naar de buis, ieder is in gedachten elders. Er is geen ‘samen’ en de enige die dat weet en voelt is zij. Remy heeft er last van en voelt zich alleen in haar familie. Haar broers kan het niets schelen, haar vader ontgaat het en moeder weigert het te zien. Met Hans kan ze er soms over praten, als hij zin heeft. Het blijft een rebel van een broer en naar je zus luisteren is niet altijd stoer. Hij is het wel met haar eens, maar het maakt hem niet ongelukkig. Simon is net als moeder een struisvogel. Ze hebben het graag ongecompliceerd gezellig en wat je niet ziet bestaat niet. Allemaal ondenkbaar voor Remy.

 

Als de film bijna afgelopen is schuifelt ze onhoorbaar naar binnen. Stilletjes klimt ze de trap op en glijdt met kleren en al onder de dekens. Nog urenlang luistert ze naar de gedempte geluiden van beneden. Rinkelende glazen, gelach en muziek. Haar vader steekt zijn hoofd nog even om de slaapkamerdeur; “Oh, ben je daar! Slaap je?” Remy houdt zich stil en haar vader trekt de deur weer zachtjes dicht. Daarna hoort ze haar moeder roepen: “Wat een portret, ik wist wel dat ze niet weg was!”

 

December 2010. Remy leest haar twee zoontjes voor uit een kerstboek, een verhaal over dieren die elkaar redden. Overal ligt een dik pak sneeuw en de illustraties zijn prachtig. Haar jongens lachen om de grappige dieren en verlangen naar net zo’n witte wereld. Het lukt Remy niet haar tranen tegen te houden. Nog steeds zit dat kleine meisje in haar. Soms voelt ze zich precies hetzelfde als die avond in de sneeuw. Even verdrietig en niet minder alleen. Ze mag zich zo voelen en ze is veilig. Haar volwassen ik zorgt voor de kleine Remy, met heel haar hart.

 

Voordat ze met haar mouw haastig haar wangen wil drogen, schuift Bram naast haar en neemt het boek van haar over. Een kneepje in haar arm en een kus op haar krullen, de jongens hebben niet eens iets gemerkt. Zo kijkt ze naar haar kinderen en haar lief en een warme gloed trekt door haar lijf. Zij zijn werkelijk samen en echt verbonden. Zelfs woordeloos begrijpen ze elkaar. De oudste drukt haar een zakdoek toe en de kleinste man gunt haar zijn knuffel, In dit huis is niemand onzichtbaar.

 

@missnienox

 

Foto super panel sneeuwlandschap huis

Foto: Super Panel


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Gerda
9 maanden geleden

Oef, wat een mooi en ontroerend verhaal. De mooiste momenten met familie en geliefden zijn die waarin je je echt verbonden voelt, de meest eenzame en verdrtietige wanneer die verbinding er totaal niet is. Als kind voel je dat, als volwassene kan je dat veel beter benoemen en heb je (als ik voor mezelf spreek) ook meer door dat het niet je eigen schuld is, of dat je raar/anders etc. bent.
Door je beschrijving zat ik ook in het sneeuwlandschap met al die mooie gedempte geluiden etc. Prachtig verhaal.

Nienke
9 maanden geleden

Dank je wel lieve Gerda😊 Ik had dit verhaal al jaren geleden geschreven, maar heb het einde wel veranderd/toegevoegd. Het voelde fijner en warmer op deze manier. Er is altijd hoop immers.